↑ Terug naar 

Behendigheid: fungames

Snooker

De deelnemer probeert binnen een totaaltijd zoveel mogelijk punten te halen door foutloos op de juiste manier de hindernissen te nemen. Snooker bestaat uit twee gedeelten: Opening en Eind. Het doel is om zoveel mogelijk punten te halen binnen de tijd, die de scheidsrechter geeft. De toestellen van het vast parcours worden ook voor Snooker gebruikt. Snooker bestaat uit een openingsperiode, waarin een zekere volgorde van hindernissen wordt gevraagd, maar de deelnemer kan zelf nog keuze maken uit een aantal toestellen en een eindperiode, waarin een vaste volgorde van hindernissen door de scheidsrechter is vastgelegd.
De scheidsrechter geeft een maximale tijd op voor het lopen van het parcours. Binnen deze tijd moeten alle twee de onderdelen volbracht zijn. Start en finish bestaan uit een denkbeeldige lijn (eventueel denkbeeldig doorgetrokken), die door twee of meer markeringspunten (bv. De staanders van de tijdwaarneming) aangegeven wordt.
In Snooker worden minimaal 9 hindernissen gebruikt, die de waarden vertegenwoordigen van 1 t/m 7, net als in het spelletje Snooker bij biljart. De kleuren van het Snookerspel worden gebruikt om de waarde aan te geven van de hindernis.
Kleur Waarden: Rood = 1, Geel = 2, Groen = 3, Bruin = 4, Blauw = 5, Paars = 6, Zwart = 7
De rode hindernissen moeten bestaan uit hoogtesprongen. De andere kleuren kunnen allerlei soorten hindernissen zijn. De scheidsrechter bepaalt, welk toestel correspondeert met welke waarde, maar dit wel in relatie tot de zwaarte van het toestel en de plaats in het veld (meestal hoe verder weg hoe hoger het aantal punten).

Openingsperiode
Er is een minimum van 9 hindernissen, waarvan tenminste 3 en maximaal 5 rode en minstens 6 anders gekleurde.
Tijdens de openingsperiode moeten de hindernissen in deze volgorde worden genomen: rood – een andere kleur – een tweede andere rode – een andere kleur – de derde andere rode – een andere kleur. (Dit wil zeggen dat een andere kleur evt. drie keer dezelfde zou mogen zijn.) De 6 hindernissen kunnen samen een maximum van 24 punten opleveren. De deelnemer probeert zoveel mogelijk punten te vergaren volgens de principes:
– er moet eerst een goede rode hindernis genomen worden voor een andere kleur mag worden genomen.
– elke rode hindernis mag maar één keer gebruikt worden, goed of fout genomen maakt niet uit. Fout genomen betekent, dat er alsnog eerst een andere nog niet genomen rode genomen moet worden.
– je mag als andere kleur drie keer hetzelfde of twee of drie verschillende hindernissen gebruiken.
– in het algemeen geldt, dat in de openingsperiode elke fout genomen hindernis gevolgd moet worden door een rode hindernis.
Weigeringen worden in de openingsperiode niet berekend.
Het verzamelen van punten in de openingsperiode eindigt op het moment dat:
– er 3 goede combinaties van eerst een rood, gevolgd door een andersgekleurd toestel genomen zijn.
– een hond na een niet goed genomen rode hindernis doorgaat met een anders gekleurde hindernis.
– Indien een goede rode hindernis gevolgd wordt door nogmaals een rode
– Indien een goede andersgekleurde gevolgd wordt door nogmaals een andersgekleurde.
– Indien een eenmaal genomen rood toestel later in de opening nogmaals genomen wordt.
– de tijd voorbij is.

Eindperiode
Na de openingsperiode volgt direct de eindperiode, die bestaat uit 6 hindernissen, die in een bepaalde volgorde genomen moeten worden en een maximum van 27 punten geven. De volgorde is hier: geel(2), groen(3), bruin(4), blauw(5), paars(6) en zwart(7). Als in de openingsperiode de laatste hindernis een gele was, begint de tweede reeks toch weer met de gele hindernis. De punten tellen mee tot: – een fout of weigering.
– verkeerde volgorde.
– een genomen toestel, die niet tot de reeks behoort.
– de tijd voorbij is.
Als de tijd voorbij is geeft de tijdwaarnemer een fluitsignaal ten teken dat de tijd voorbij is. Als er om één van de andere redenen geen punten meer worden geteld wordt dat door de scheidsrechter kenbaar gemaakt met een fluitsignaal. Na het fluitsignaal stopt de deelnemer met het nemen van de toestellen en finisht door zo snel mogelijk de finish te passeren. Punten, verkregen voor het fluitsignaal dat het einde aangeeft, tellen mee. Als een hond op een hindernis is ten tijde van het fluitsignaal, telt dit alleen mee, als de hond geen fout meer maakt voor het verlaten van deze hindernis. Tijdens de briefing zullen alle regels die van belang zijn worden aangegeven. De winnaar is diegene, die de meeste punten heeft. Bij gelijke punten is degene, die het snelste binnen kwam eerste.